Vrouwelijke auteurs mogen zich momenteel in de Nederlandse literatuurgeschiedenis meer en meer verheugen in een warme belangstelling. Wij mogen aannemen dat Hadewijch en Anna Bijns als de vroege vrouwelijke voorlopers ondertussen in literaire kringen redelijk bekend zijn. Nu is er vooral aandacht voor Renaissance, Verlichting en Romantiek.     Al tijdens de middeleeuwen is een belangrijk aspect in de Nederlandse letterkunde het fenomeen rederijkerij. Zoals het zich laat aanzien was dit door de eeuwen heen een mannen­aange­legenheid. Ook hier geldt dat de uitzon­dering de regel beves­tigt. Ten eerste is er de eerder genoemde Anna Bijns, die in de rede­rijkerswereld misschien haar intrede deed als 'Antwerp­sche maecht van vijftien jaren' en op die leeftijd meedeed aan een rede­rij­kerswedstrijd in Mariahoven voor de Antwerpse kamer. Waar­schijnlijk geboren in 1493 en zeker overleden in 1575 is zij voor de rederijkers nooit meer ge­weest dan een curiosi­teit. Zij is nooit getrouwd, voorzag in haar levenson­derhoud als onderwijzeres en mocht zich nooit een volwaar­dig lid van een rederij­kerskamer noemen.[1] Toch werd en wordt zij hogelijk gewaardeerd, ook in rederijkerskrin­gen. Pleij waagt het zelfs haar 'de meest volbloedige rederij­ker' te noemen.[2] Waar­schijn­lijk geldt zij voor velen als de enige vrouwelijke rederijker. Zij hebben het mis. In 1598 is de Dordtse kamer De Fonteijne als een van de acht kamers aanwezig op het rederij­kersfeest van Rotter­dam.[3] Voor Dordrecht gaf 'een Vrouwe' acte de presen­ce. Wij weten niet of 'Geeft Godt die Eer', zoals zij haar bijdrage ondertekent, de overige kamers door haar aanwe­zigheid geschokt heeft. Ook weten wij niet of zij zich Fonte­ijniste mocht noemen. Wel weten we dat haar bijdrage mocht bestaan uit drie antwoorden op drie ver­schillende vra­gen. Slechts een antwoord is in Der redenrijcke recreatie opgeno­men. Dit antwoord in de vorm van een refrein is een antwoord op de vraag: 'Hoe sal een Leerling recht oordelen van sijns Leeraers leer?' Een vraag die uitnodigt tot een stichte­lijk antwoord. Zij stelt de opsteller van de vraag dan ook niet teleur. Haar refrein wemelt van Bijbelse citaten, alle keurig in de marge verant­woord. Haar stokregel (de laat­ste regel van een strofe) is haar concrete antwoord: 'Die wijsheyt van doen heeft die bidt, Godt geeft alle goede ga­ven.' Vrij vertaald zou je kunnen stellen dat er maar een leraar is waar je naar moet luisteren, en dat is God.[4] Dordrecht int particulier Refreyn.             By een Vrouwe. Ontwaeckt met vlijt, bestayt u tijt in Christus schoel, mans en vrouwen,Opten Hoeck-steen bouwt jonck en oudt, om recht t'ontfouwen,Hoe sal een Leerling recht oordelen van syns Leeraers leer.Twee Leeraers hadt Adam, het mocht hem wel rouwen,Dat hy t'Serpent meer geloofden dan Godt zijnen Heer,Door d'ongehoorsaemheyt quam Adam, en wy al en s'doots verseer,Maer Godt troosten hem uyt genaden met desen reden,Ick sal vyandtschap setten tusschen t'serpens saet en de vrou teer,Met beloften, dattet vrouwen saet t'serpens cop sal vertreden,Eva verblijt, sy sprack: 'Ick heb den man des Heeren heden,Als sy Cain baerde, die Abel zijnen broeder doot sloech,Abels offer behaecht Godt, want hy heeft door't gheloof ghebeden,Cain sach alleen op't offer dat hy opten Outaer droech,Den gelovigen Enoch is vander aerden wech genomen seer vroech,d'Ongelovige werelt liet Godt door den Sondtvloet straven,Noag zijn achste dreven in d'Arck op d'een en d'ander boech,Tot dat de Duyff den Olijftack bracht, wat vreedt bracht den Raven,Die wysheyt van doen heeft die bidt, Godt geeft alle goede gaven. d'Beloftde saet daer de gelovige Voorouders op bouden,Heeft God inden gelovigen Noah in d'Arck behouden,Twee duysent jaer naer de belooft vernieut in AbrahamMet belofde dat in hem en in zijn saet alle volck soudenZijn gebenedijt. Abraham dit in zijn ouderdom aennaem,Door 't geloof siende d'belofde saet hercomen uyt zijnen stam,So Christus Joannis acht, veers vijftich ses, betuycht wilt mercken,Ons te leeren dat hy 't belofde saet uyt Abrahams stam quam,Gehoorsaem gaf Abraham zijn Soon door't geloofs versterken,Dit's hem tot gerechtigheyt gerekent als hy quam uyt den perckenVan den Coningen slach, ginc den priester van den alder grootsten god,Abraham tegemoet, offert hem broot en wijn, wilt hier na herckenMelchisedech Coninc van Salem, Vorst des vreedts dit ist slot,Godts soon geleken, blijft Priester in eewicheyt onverrot,Levi in Abrahams lenden gaf thienden, dien daer wy op braven,Die naemaels thienden ontfinck door Godts gebot,So veel beter is Melchisedechs, dan Levys ampt wilter na draven,Die wysheyt van doen heeft die bidt, Godt geeft alle goede gaven. Wy leerlincx laet ons als die van't Berream op godts Woort letten,Godt geboot door Moysi, in Israel zijn Wetten,Gehoorsaem te zijn op dat elck bekenden zijn sondigh leven,Haer Paeschlam most suyver zijn, reyn sonder eenige smetten,Priesters uyt Leyi Godt setten t'offeren voor hun en 's volcx sneven,Maer sy zijn al door Adams val ongehoorsaem gebleven,Aarons soonen brachten vremt vier op't oudaer by d'offer spijselic,'t Hemelsch vier verbrantse, Corach, Datan, Abram, kevenOp Moysi, sy zijn levendich in d'aerdt versoncken, afgryselick,Achan nam eenen Babiloonschen mantel on wijselick,Van't verbrande sesendertich duysent man vielen om dees daet,Saul is afgeset door zijn ongehoorsaemheyt misprijslick,Van den Conincklicken staet. Leroboam richten seer opstinaet,Twee Calvers om die als Godt te eeren, hem en zijn staet tot smaet.Jesebel is van honden geten, Baals Priesters storven als aven,Die hem nu in godts tempel set als een heylich Potentaet,Vergeeft om gelt alderley quaet, Och, sondighe slaven,Die wysheyt van doen heeft die bidt, godt gheeft alle goede gaven.             Prince. Door ongehoorsaemheyt moesten wy al eewich sterven den doot,In de volheyt des tijts sandt godt zijn soon naer zijn beloften bloot,Door cleyn en groot, hier in dit dael uyt Abrahams en Davids saet,Van een maeght geboren, ons ghelijck, behalven de sonden snoot,Op desen weesen alle offers gheordineert in godts raet,d'Over Priester ts'jaers eens int Heyligh der heylghen gaet voort volcx quaet.En zijn misdaet offerden gaven en slachtoffer opten Outaer.Also is Christus voor ons een reyn Paeschlam, Voorbidder en Advocaet,Int heylich der heylgen (sonder handen gemaect) gegaen voorwaer,Met zijn bloet dierbaer, ons vry gecocht uut 's doots tormenten swaer,Doen wy noch vyant waren, volbracht de wet, versoende gods toren,Tot een Testament, gaf broot en wijn, t'zijnder gedachtnis claer,Naer Melchisedechs ordening so godt heeft gesworen,Ghy zijt een eewigh Priester, sonder begin oft eynt, ja ongeborenDoor 't geloof, zijn ons sonden inden doop in zijn doot begraven,Laet ons nu door 't geloof met hem opstaen, als godts uytvercoren,Tot desen Leeraer vroet u spoet, so comt ghy ter rechter haven,Die wysheyt van doen heeft die bidt, godt geeft alle goede gaven.                   Geeft Godt die Eer.          I        1    23456    Gen.3.78910   Gen.4.11121314   Hebr.7.15   Gen.7.16   Gen.8.1718   Jacob.1.          II   123    Genes.12.45    Genes.21.67    Johan.8.8    vers.56.9    Genes.22.101112   Genes.14.13   Hebr.7.14   Psalm.16.1516   Num.18.17   Hebr.7.18   Jacob.1.          III      1    Actor.17.2    Exod.20.3    Hebr.7.4    Exod.12.5    Num.18.6    Rom.5.7    Levi.10.89    Num.16.10   11   Josua 7.1213   1.Samu.7.1415   1.Regu.12.16   1.Regu.18.17   2.Reg.19.  ;  Danie.11.  ;  2.Thess.2.  ; 1.Thess.4.18   Jacob.1.          IV   1    Rom.5.2    3    Matth.1.4    Luc.2.5    Hebr.5.6    Num.18.7    1.Petri 1.8    Hebr.9.9    1.Pet.1.10   Rom.5.11   Luc.22.12   Marc.14.13   Matt.25.14   Hebr.7.15   Psa.110.16   Rom.5.1718 


    [1] Pleij in: Een Geschiedenis, p. 126 e.v..
    [2] Pleij in: Een Geschiedenis, p. 129.
    [3] Smits-Veld 1992, p. 84.
    [4] Zie: Bijlage A, p. A3-A4.

Geproduceerd door Markei.nl